Op de hoogte blijven?

Inschrijven/Uitschrijven
voor onze Nieuwsbrief

Archief

2017-12-17

Beheerwerken Abeekvallei

9:00u - 12:00 u

...Lees meer»

december 2017
zo ma di wo do vr za
          1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31            

Natuurgebied Vallei van de Abeek

Erkend bij MB 22 juli 2002 als natuurreservaat E-209 'A-beekvallei' voor een oppervlakte van 81 ha 17 a 1 ca (vervat in 3 Ministeriële besluiten, alle getekend op 22 juli 2002).  Bij MB 22 juli 2011 erkend als natuurreservaat E-209 ‘Vallei van de Abeek’ voor een totale oppervlakte van 157 ha 76 a en 68 ca en bij MB 13 november werd de erkenning uitgebreid met 23 ha 99 a 57 ca.

De totaal erkende oppervlakte bedraagt nu 181 ha 76 a 25ca. De erkening geldt tot 22 juli 2029.

In beheer bij de vzw Natuurpunt.Beheer, Natuurpunt-afdeling Meeuwen-Gruitrode & Peer.

Algemeen


Naam van het reservaat: Vallei van de Abeek

Oppervlakte (stand 01.01.2017):
Eigendom: 184,3 ha
Huur en gebruiksovereenkomsten: 32,3 ha
Totaal: 216,5 ha

Ligging:
gemeenten: Meeuwen-Gruitrode, Peer en Bocholt
kaart N.G.I.: 18/5 (Meeuwen), 18/6 (Bree) en 26/1 (Waterschei).

Als je GOOGLE EARTH op je computer hebt geïnstalleerd kun je het natuurgebied dat in de Abeekvallei beheerd wordt door Natuurpunt, op je computer zichtbaar maken door hier te klikken.


Aanduiding op het gewestplan:
Het brongebied ligt in militair domein. Heel de valleizone is natuurgebied. Hogerop de vallei kregen de gronden de bestemming (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied en bosgebied.

Aanduiding op de biologische waarderingskaart:
De vallei wordt in belangrijke mate aangeduid als 'biologisch zeer waardevol' of 'biologisch waardevol'.

Overige beschermingen:
EG-Vogelrichtlijn (55 % van de beheerde oppervlakte):
De zone gaande van het brongebied tot aan de baan Bree-Peer is aangeduid als EG-Vogelrichtlijngebied, nl. nr. 17 'Zone gelegen te Peer en Hechtel-Eksel' en nr. 20 'Zone gelegen te Houthalen-Helchteren en Meeuwen-Gruitrode'. 

Habitatrichtlijngebied (76 % van de beheerde oppervlakte):
De vallei is opgenomen in het Habitatrichtlijngebied BE2200033 'Abeekvallei en aangrenzende moerasgebieden'.
Het oorsprongsgebied van de Abeek (militair domein) is opgenomen in het habitatrichtlijngebied BE2200030 'Mangelbeek en heide- en vengebieden tussen Houthalen en Gruitrode'.

Het Natuurgebied Vallei van de Abeek is voor 86 % Europees beschermd (oppervlakte 177 ha) door de genoemde richtlijngebieden.

Vlaams Ecologisch Netwerk (77 % van beheerde oppervlakte):
Het nauurreservaat is voor een oppervlakte van 156 ha gelegen in de Grote Eenheid Natuur 'Abeekvallei'.

Beschermde dorpsgezichten:
Binnen het gebied liggen geen gerangschikte landschappen.
Er bevinden zich wel vier beschermde dorpsgezichten:
Dorpermolen te Meeuwen-Gruitrode, Hoogmolen te Meeuwen-Gruitrode, Reppel- of Cuppensmolen te Bocholt en Binkermolen te Bocholt.

Statuut:
Beheerder: Natuurpunt.Beheer v.z.w.

Terreinbeheerders:
- Freddy Janssens, 0476 30 67 64
- Eugène Vanoosterhout, 011 79 19 12

Eigenaars:
Eigendom : Belgische Natuur- en Vogelreservaten vzw / Natuurpunt.Beheer vzw
Huur: gemeente en OCMW Meeuwen-Gruitrode, kerkfabriek Grote Brogel en particulieren
Gebruiksovereenkomsten: Vlaams Gewest (VLM/ANB)

Landschap
Van bron tot enkele km's voor Reppel behoort het tot het Kempisch plateau of Limburgs hoogplateau.
Het plateau helt licht en eerder gelijkmatig af van 80 m in het brongebied tot 45 m in Reppel. Het oorspronkelijk vlakke reliëf is getekend door insnijdingen van evenwijdig lopende consequente beken. De beken waaronder de Abeek vloeien in noordoostelijke richting. Ze snijdt vrij diep (5 tot 10 m) in het plateau.
Nabij Reppel is er een vrij bruuske daling van meer dan 10 m (breuken van Grote Brogel en  Reppel) naar de Vlakte van Bocholt.
Op het plateau is het landschap grotendeels open of geperceleerd half-open. In de valleien is het vooral een (ongeperceleerd) half-open landschap.

Fysisch milieu
Op geologisch vlak wordt het gebied vooral gedetermineerd door pleistocene grintafzettingen van de Maas (puinkegel). In een latere periode werd de vallei opgvuld met alluviale beekafzettingen en ontwikkelden er zich vooral belangrijke veenpartijen.
Langs de beekvalleien vinden we vooral lemig-zanderige bodems. Ook zandbodems kunnen grote oppervlakten beslaan. De afzettingen hebben bijna allemaal een profiel. Bodems met een (matig) duidelijke podzolstructuur bedekken de grootste oppervlakte. Plaggenbodems komen ook regelmatig voor.
Hydrografisch hoort de Abeekvallei tot het Maasbekken. De Abeek is een laaglandbeek met een nog vrij natuurlijke loop. Ze is één van de zeldzame beken van Vlaanderen die haar goede structuur van bron tot monding behouden heeft. Meandering, holle oevers, talrijke natuurlijke kwelzones, wisselende bodemsubstraten zijn enkele van haar kwaliteiten. De kwaliteit van het water is matig goed tot goed.
Het merendeel van de vallei heeft een niet tot een slechts lokaal verstoorde waterhuishouding.

Historische achtergrond
De beekvallei was volledig in gebruik als hooiland. Ruigten en elzenbroek bestonden niet. Alles werd twee keer per jaar gemaaid. De vele bronnen werden via een stelsel van zouwen of sloten naar de beek geleid.
In de Abeekvallei heeft men tot na de eerste wereldoorlog ook turf gestoken.
Een aantal plaatsen in de vallei werden ook met beekwater bevloeid. Dit verliep in overleg met de molenaar. Het beekwater vulde de mineralenbalans van de bodem weer aan.
Uit de toponymie kan afgeleid worden dat in de vallei vlas geroot werd.
Buiten de vallei werden de gronden grotendeels gebruikt binnen het potstalsysteem. Rond de eeuwwisseling werden delen van de 'woeste gronden' met dennen beplant.

Vegetaties
In de hieronder gegeven beschrijving wordt de nadruk gelegd op de vegetaties die volgens de Habitat Richtlijn (92/43/EEG) bescherming verdienen. 
Het brongebied onderscheidt zich van de eigenlijke beekvallei ook op vegetatiekundig vlak door de aanwezigheid van een indrukwekkend landschap van uitgestrekte droge, vochtige en natte heiden, met vennen, stuifduinen en zelfs met enkele hoogveentjes.

Op verschillende plaatsen liggen er landduinen, een zeldzaam geworden milieu. Open pioniersvegetaties van het type Thero-Airion zijn relatief uitgestrekt.
Droge heide heeft er de grootste bedekking. Ook grote oppervlakten natte heide te rekenen tot Ericetum tetralicis zijn aanwezig, die plaatselijk zeer goed zijn (o.a. met Heidekartelblad, Liggende vleugeltjesbloem en Beenbreek).
Deze natte heide bevat een mozaïek van veenslenken van het type Rhynchosporion albae met o.a. twee soorten snavelbiezen en zonnedauw en Moeraswolfsklauw.
De vennen behoren er tot het oligotroof type met o.m. Klein blaasjeskruid, Duizendknoopfonteinkruid en Veelstengelige waterbies.
Op kleinere oppervlakte ontwikkelt zich hoogveen (Sphagnetalia magellanici) met o.a. Kleine veenbes, Lavendelheide en Eenarig wollegras.
Tussen de heides in, komen kleine oppervlakten Gagel-Berken-struweel (Betuletum pubescentis) voor.

Verder stroomafwaarts vormt de Abeek een uitgesproken beekdal.
Op de flanken vinden we plaatselijk ook droge heide. Ook oude Eiken-berkenbossen zijn hier te vinden. Dat vele van deze bossen een opener (heide)verleden gekend hebben, getuige het voorkomen van Blauwe bosbes en op enkele plaatsen Jeneverbes.
Vaak zijn de randen van de productiegraslanden nog bloemrijk met o.a. Grasklokje, Kleine leeuwentand en Knolboterbloem.
De middenloop van de vallei wordt vooral gekenmerkt door intensief door grondwater beïnvloede vegetaties. Deze kwelzones hebben de successie aanzienlijk vertraagd en zijn onmisbaar voor de aanwezige drijftillen. Binnen de reeks drijftillen is er een duidelijke verschuiving van relatief zure en voedselarme drijftillen (in de bovenloop - vooral Meeuwen) naar meer mesotrofe milieus. Het zijn alle unieke en kwetsbare vegetaties. In de bovenloop domineren Snavelzegge, Zompzegge, Zwarte zegge en Wateraardbei. Meer stroomafwaarts duiken vooral meer Holpijp en Adderwortel op, terwijl Moerasstreepzaad, Waterdrieblad, Pluimzegge, Valse cyperzegge, Kalmoes en Moerasvaren hun intrede doen.
Een belangrijk deel van de gronden bestaat uit (verruigde) hooilanden. Getuigen van het hooilandverleden zijn de fragmenten van zuur laagveenmoeras type Caricion curta-nigrae (met o.m. Wateraardbei, Schildereprijs, Zeegroene muur en Sterzegge) en van blauwgrasland type Molinion met o.m. Pijpestrootje, Ruw walstro en Veldrus. Hoewel deze fragmenten bijna steeds nog aanwezig zijn, zijn de meeste van deze natte graslanden reeds geëvolueerd naar rietland, wilgenstruweel of elzenbos. Wegens het achterwege blijven van bemesting en/of verdroging blijven de herstelkansen zeer reëel.
Op enkele percelen (momenteel in beheer van de vereniging) komt nog een fraai ontwikkeld Blauwgrasland (Cirsio-molinietum) voor. Naast veel Moerasviooltje en Pijpentrootje groeien er ook zeldzame soorten als Klein glidkruid, Groengele en Late zegge .
De lichtjes minder natte graslanden kunnen tot het Calthion palustris en/of Arrhenatherion gerekend worden. Kenmerkende soorten zijn er Dotterbloem, Adderwortel, Wilde bertram, Tweerijige zegge en Bosbies. Draadrus en vooral Knolsteenbreek kunnen lokaal algemeen zijn.
Naast graslanden, drijftillen en ruigten beslaan broekbossen en beekbegeleidend loofbos het overige deel van de vallei.
De natte bossen zijn in hoofdzaak te typeren als mesotroof tot eutroof elzenbroek (Carici elongatae-Alnetum) en Sporken-wilgenbroekstruweel (Salicion cinereae). Kenmerkende soorten zijn Elzenzegge, IJle zegge, Blauw glidkruid. Door de sterke kwel groeit hier ook veel Bittere veldkers en plaatselijk Paarbladig goudveil. Plaatselijk zijn er zeer waardenvolle overgangen van droge zandgrond naar mesotroof elzenbroek en beekbegeleidend bos over een oligotrofe fase van berk- en elzenbroek met vele veenmossen en Moerasviooltje.
De Abeek wordt over grote delen door een met het Stellario-Carpinetum en Carici remotae-Fraxinetum verwant type loofbos begeleid met voor Limburg een aantal niet-alledaagse soorten. Een bijna alomtegenwoordige verschijning hier is Verspreidbladig goudveil. Geregeld groeit hier ook Reuzenzwenkgras. Ook Grote keverorchis en Veelbloemige salomonszegel werden er lokaal gevonden. Op een paar plaatsen groeit in de bosrand ook Wilde peer.
De meeste stilstaande wateren hebben geen bijzondere hoge natuurwaarde. Een aantal evolueren echter gunstig. Hier kan men soorten als Drijvend fonteinkruid, Grof hoornblad vinden. In een plas (in beheer van de vereniging) groeien kranswiervegetaties met Nitella. De Limburgse plantenatlas maakt op één plaats melding van Drijvende waterweegbree.
De begroeiingen in de Abeek zelf zijn binnen het interessegebied plaatselijk. Onder meer Drijvend fonteinkruid vormt er vegetaties.
De databank van het Lisec maakt duidelijk dat in het interessegebied tijdens de periode 1972 - 1992 346 hogere plantensoorten gevonden werden.
De plantengemeenschappen van natte heiden, laagvenen, natte graslanden en droge zure graslanden zijn zeer goed ontwikkeld. Ook de bosflora is goed vertegenwoordigd.
Bij deze soorten zijn er 35 soorten die momenteel als bedreigd worden beschouwd.

Fauna

De aanwezigheid van een heel aantal soorten kon met zekerheid vastgesteld worden. Van de grotere, iets gemakkelijker waarneembare zoogdieren werden volgende soorten waargenomen: Egel, Mol, Haas, Konijn, Bruine rat, Zwarte rat, Muskusrat (uitgeroeid), Bever (eerste waarneming 2013), Eekhoorn, Hermelijn, Wezel, Bunzing, Steenmarter, Everzwijn, Vos en Ree. 
Van de moeilijker waarneembare (spits)muizen werd de aanwezigheid van volgende soor­ten reeds vastgesteld: Driekleurige bosspitsmuis, Dwergspitsmuis, Huisspits­muis, Waterspitsmuis, Rosse woelmuis, Aardmuis, Dwergmuis, Huismuis en Bosmuis. 
Met zekerheid vastgestelde vleermuizensoorten zijn: Watervleermuis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en Gewone grootoorvleermuis. 

Bij de meest recente (juni 2010) visbemonstering door de Vissenwerkgroep van de Limburgse Koepel voor Natuurstudie (LIKONA) werden 16 soorten teruggevonden waarbij de Kwabaal de blikvanger was. Deze tot voor kort uitgestorven soort voor Vlaanderen werd in 2006 geherintroduceerd in de Abeek (zie verder). Daarnaast worden ook Beekprik, Serpeling, Bermpje, Kopvoorn, Drie- en Tiendoornige stekelbaars, Paling, Giebel, Zonnebaars, Amerikaanse hondsvis, Beekforel, Blankvoorn, Rietvoorn, Grondel en Kolblei gevangen.

De Abeekvallei is zonder twijfel één van de belangrijkst vogelgebieden van Vlaanderen. De broedvogelwaarnemingen voor de periode 1985 -1992 verzameld in databank bij Lisec geeft een soortenlijst van maar liefst 115 soorten broedvogels. Een recente kartering bevestigde dit. Het militair domein vormde het enige levensgebied van Korhoen  in Vlaanderen, voor Grauwe kiekendief (onregelmatig) praktisch het enige. In het brongebied broeden ook nog Wespendief, Bruine kiekendief, Boomleeuwerik, Blauwborst, Dodaars, Fuut, Slobeend, Wintertaling, Kuifeend, Tafeleend, Havik, Grutto, Wulp, Tapuit, Rietzanger, Kleine karekiet. Tot eind jaren tachtig broedden er ook nog Roerdomp, Duinpieper, Grauwe klauwier, Kuifleeuwerik en Paapje. Porseleinhoen broedt er onregelmatig. Tijdens de trekperiode is het gebied belangrijk voor Kraanvogel en Regenwulp. 's Winters pleisteren er o.a. Blauwe kiekendief en Roerdomp.

Ook het middenstrooms gedeelte telt op avifaunistisch vlak goed mee. Het gebied werd opgenomen in het vogelrichtlijngebied dat specifiek ter bescherming van de laatste leefgebieden van Ortolaan (nu uitgestorven in Vlaanderen). IJsvogel, Zwarte specht, Blauwborst, Wintertaling, Watersnip, Grote gele kwikstaart, Vuurgoudhaantje en Kruisbek broeden er ook. Soorten als Goudvink, Havik, Houtsnip, Appelvink en Zwarte specht breiden zichtbaar uit. Men telde daarenboven hoge dichtheden van Spotvogel, Matkop en Wielewaal.

Ook voor amfibieën en reptielen heeft het gebied een betekenis. Liefst vijf soorten die opgenomen werden in de Rode lijst komen in het gebied voor, met een concentratie in het brongebied: Heikikker, Rugstreeppad, Vinpootsalamander, Gladde slang en Levendbarende hagedis.

Ook de insecten en spinnen werden bijzonder goed bestudeerd.  Vele losse waarnemingen op terein samen met een 7-jaar durend onderzoek van de Werkgroep Ongewervelden van LIKONA leverde meer dan 2100 soorten ongewervelden op.

Er zijn 36 soorten dagvlinders waargenomen in de Abeekvallei, waarvan 28 ook op de beheerde percelen.
De heideterreinen zijn zeer belangrijk voor vlinders met een kleine populatie van Veenhooibeestje (nu uitgestorven, was waarschijnlijk de laatste populatie van Vlaanderen) en populaties van Heideblauwtje, Gentiaanblauwtje, Groentje en Bont dikkopje. In de middenstroom vliegt ook Bont dikkopje rond. In de Abeekvallei kwam tot 1996 ook nog Zilveren maan voor. Met het verdwijnen van deze vliegplaats is deze soort in Vlaanderen uitgestorven. Vanaf 2004 komt Kleine parelmoervlinder terug na lange afwezigheid in grote aantallen voor.

Het aantal waargenomen soorten libellen in het visiegebied bedraagt momenteel 31, waarvan 20 ook op de beheerde percelen.
Vooral het brongebied en de middenstroom heeft een grote betekenis door het voorkomen van de kwetsbare soorten Bruine korenbout, Metaalglanslibel, Grote roodoogjuffer, Gewone bronlibel, Vroege glazenmaker, Koraaljuffer, Tangpantserjuffer, Tengere pantserjuffer, Grote roodoogjuffer, Bruine winterjuffer Weide- en Bosbeekjuffer.
Het brongebied was gekend voor habitatrichtlijnsoort: Gevlekte witsnuitlibel. Deze komt hier nu nog sporadisch voor.

Sprinkhanen werden nog niet systematisch onderzocht. Toch duiden de waarnemingen ook hier reeds op het entomologisch belang van het gebied. Er zjn 23 soorten sprinkhanen  en krekels gevonden in de Abeekvallei, waarvan 18 ook op de beheerde percelen.
Het brongebied (perceel in beheer van de vereniging) is een van de enkele Vlaamse (= Limburgse) vindplaatsen van de Zadelsprinkhaan.  De soort komt er (nog?) in zeer lage aantallen voor. In de middenstroom zijn de grote populaties van Zompsprinkhaan en Boskrekel belangrijk.

In totaal werden 143 soorten loopkevers geïnventariseerd, waaronder 56 rodelijstsoorten (stand 2010).  

Er werden 23 soorten mieren gevonden waaronder acht rodelijstsoorten: o.a. Kale bosmier, Zwartrugbosmier, Bloedrode roofmier, Kokersteekmier. Een voor België nieuwe soort werd in 2007 gevonden op onze percelen (Maastrichterheide, Peer), nl.  de Zeggensteekmier  (Myrmica gallienii) waaraan de voorlopige status “met uitsterven bedreigd” werd gegeven.

In totaal werden 297 soorten spinnen geïnventariseerd, waaronder 83 rodelijstsoorten (stand 2010).

Een uitgebreid artikel over de ongewervelde fauna verscheen in het LIKONA-jaarboek 2010 onder de titel: 2011 (en meer) pareltjes in de vallei van de Abeek.

Beheer
Heel globaal bekeken willen we de natuurwaarde van het gebied bestendigen door het stimuleren van zachte overgangen (streven naar halfnatuurlijke tot bijna-natuurlijke landschappen), door het extensiveren van het grondgebruik op de valleiflanken en het intensiveren ervan in de vallei.

Tevens willen we de waterhuishouding goed bewaken. We zullen door het uitzetten van een lange-termijn - meetnet van peilbuizen de evoluties trachten op te volgen.

Daar het gebied groot en divers is, wordt het in een aantal beheerzones verdeeld. Voor elk van deze zones worden specifiek één of meerdere nagestreefde landschapsbeelden, levengemeenschappen en doelsoorten opgegeven.

Door toepassing van extensieve begrazing willen we vooral heiden, heischrale en mesofiele graslanden en structuurrijke, open laagveenmoerassen ontwikkelen. De begrazing die we voorstellen dient als basisbeheer. De grazers bepalen wanneer voor een halfnatuurlijk landschap gekozen werd, de structuren meestal grotendeels zelf. Soms (indien er aanwijzingen zijn voor soortenrijke vegetaties en/of voor bepaalde doelsoorten) wensen we op de begrazing een aanvullend maaibeheer uit te voeren. We kozen verschillende basisdichtheden naargelang het streefbeeld open mesofiel grasland (actueel 20%), half-open tot open natte vegetaties (6%), overwegend heiden (29%) of bos (0%) is.

Op het vlak van mechanische beheerhandelingen stellen we voor de (potentieel) soortenrijkste historische hooilanden een jaarlijks tot minder dan jaarlijks maaibeurt voor, met verwijdering van het strooisel. Op een plaats waar de sporen van een voormalige bevloeiing nog zichtbaar zijn (2%), streven we een herstel van dit bodemgebruik na.

De belangrijkste huidige inrichtingswerken omvatten het meer open maken van percelen door het verwijderen van opslag en/of aanplanten van populier. Actueel geldt dit voor bijna de helft van de percelen in ons beheer.

Toegankelijkheid
Dit hoogwaardig natuurgebied willen we op een verantwoorde wijze openstellen. Het is onze betrachting zowel de toevallige bezoeker als groepen een duidelijke staalkaart te bieden van wat het natuurgebied is.
Waar onze percelen voldoende aaneengesloten zijn, hebben we aangeduide paden, die deel uitmaken van wandelcircuits. Twee door ons aangelegde plankenpaden doorkruisen het natuurgebied Vallei van de Abeek in Reppel en tussen Erpekom en Ellikom.
Bij het uittekenen van de toegankelijkheid werd ernstig rekening gehouden dat rust- en broedgebieden voor bedreigde soorten en de gemeenschappen die fysisch gevoelig zijn voor betreding (bijv. bronmilieus, drijftillen) niet opgenomen worden. Deze willen we slechts toegankelijk maken onder begeleiding van een natuurgids of voor wetenschappelijk onderzoek.
Samen met het Regionaal Landschap Hoge Kempen stippelden we meerdere wandelcircuits en  een fietsroute in en om het gebied uit.
 Langs deze wandel- en fietsroutes werden infoborden geplaatst.
Jaarlijks worden een achttal geleide wandelingen georganiseerd, waaraan ook niet-leden kunnen deelnemen.
Op aanvraag kan men bij de verantwoordelijke beheerders rondleidingen aanvragen.
 

 


geupdate op: 2017-02-11